“Si la terre était une nation, Istanbul en serait la capitale”, zou Napoléon ooit hebben gezegd. De Franse potentaat heeft wel meer straffe quotes in zijn portfolio, maar deze raakt zelfs na twee eeuwen niet gedateerd. Een stad als incarnatie van het Westen, het Oosten en de ontmoeting ertussen. Die moet wel een heel aparte geschiedenis hebben. In 330 na Christus maakte Keizer Constantijn van het toenmalige Byzantium, een stad tussen de Egeïsche en de Zwarte Zee, de hoofdstad van het Romeinse Rijk, het grootste dat het Westen ooit heeft gekend. Vanuit het ondertussen herdoopte Constantinopel regeerde hij over bijna vijf miljoen vierkante kilometer. Vijfenzestig jaar later splitste dat grote Rijk dan wel, maar de Oost-Romeinse variant hield het, mits een klein intermezzo, duizend jaar langer vol dan de Westerse tegenhanger. Met de Val van Constantinopel in 1453 namen de sultans van het machtige Ottomaanse Rijk de fakkel over en kreeg de stad haar huidige naam: Istanbul. Het bleef eeuwenlang de spil van een krimpend imperium totdat Mustafa Kemal Atatürk in 1923 de hoofdstad van het nieuwe Turkije naar Ankara verplaatste.
Istanbul raakte haar aureool van grens tussen beide hemisferen nooit kwijt. Niet toevallig was het de terminus van de legendarische Orient Express. Het Sirkeci-station is een kopstation: hier rijdt de trein niet meer verder en eindigt Europa. Je bent letterlijk aan de brug naar het Oosten. De glorietijd van de luxetrein ligt al weer een tijdje achter ons, maar nog steeds is het mogelijk om symbolisch van het Westen van het Westen naar het Oosten van het Westen te sporen. Aan de voorgevel herinnert een oude locomotief in een verloren hoekje aan dat roemrijke verleden. Degelijk Duits materieel: Locomotivfabrik Kraus & Cie uit München staat fier op de romp van de old-timer te lezen.
Chronologie
Als de passagiers van de Orient Express het Sirkeci-station buitenwandelen stonden ze aan de voet van de oude omwalde stad. Op de heuvel, in het stadsdeel Eminönü, kijken de Grote Drie fier op de rest van Istanbul toe. Het Topkapı (1), de Hagia Sophia en de Blauwe Moskee zijn stuk voor stuk werelderfgoed die samen het complexe verhaal van de stad vertellen.
De Hagia Sophia – of Aya Sofia – brengt het meest respect op voor de chronologie. Vanaf 360 na Christus stond op deze plaats een orthodoxe basiliek, die in 404 na een geschil in rook opging. Een tweede gebouw op dezelfde locatie onderging in 532 een analoog lot, zodat eind 537 de huidige constructie kon worden ingezegend. Keizer Justinianus spaarde koste noch moeite. Het moest indruk maken. De orthodoxe patriarch van Constantinopel kon met een vette vis uitpakken, want de koepel van zijn basiliek haalde, na enkele herstellingen, een hoogte van vijfenvijftig meter. Imposant. Veel later, in 1204 moest hij zijn Huis van God tijdelijk afstaan aan de katholieke collega’s nadat de kruisvaarders dat jaar Constantinopel hadden veroverd. Boudewijn van Vlaanderen werd tot keizer van het Latijnse Keizerrijk gekroond. Zijn opvolgers zongen het uit tot 1261, toen de Byzantijnen opnieuw hun intrek namen in de stad, maar hun nieuwe imperium zou maar 200 jaar meer duren.
Kort na 1453 converteerden de Ottomanen de Hagia Sophia in de Aya Sofia-moskee. Ze voegden vier minaretten toe en vervingen het kruis door de halve maan. Na de stichting van de Lekenstaat laïciseerde Atatürk de Aya Sofia (1934). Sindsdien is het een museum. De geschiedenis van deze kerk-moskee illustreert bijgevolg perfect wie het hier al die tijd te zeggen heeft gehad. De metamorfoses van de Hagia Sophia zijn die van Byzantium, Constantinopel en Istanbul.
Evenwicht
Dit geheugen van de stad heeft haar sporen achtergelaten. Het moskee-aspect domineert uiteraard, maar de christelijke relieken zijn niet verloren gegaan. Je komt binnen langs een oude vleugel van de basiliek. Meer dan een gebinte blijft er niet van over en staat in schril contrast met de immense centrale ruimte. De koepel moet in die tijd inderdaad indruk hebben gemaakt. Door de hoogte en het toenmalige beschikbare bouwmateriaal en -gereedschap is het niet verwonderlijk dat men verschillende pogingen nodig had om de gigantische ruimte te overspannen. De dicht bij de begane grond hangende luchters zijn met een vijftig meter lange kabel aan de koepel vastgemaakt. Bij de conversie naar een moskee werden de vele Christelijke mozaïeken overpleisterd, aangezien de islam alle figuratieve voorstellingen had gebannen. Af en toe kregen Westerse specialisten tijdens herstellingswerken de gelegenheid om de te voorschijn gekomen mozaïeken in kaart te brengen, maar keer op keer moesten ze weer worden overplakt. Nu de Hagia Sophia van haar religieuze functie is ontdaan én de muren in lamentabele staat zijn krijgen de oorspronkelijke decoraties een nieuwe kans. Voor de experts is het balanceren op een slappe koord. Ze moeten een evenwicht zoeken tussen het herstellen van het Christelijke en het Islamitische erfgoed. Zo wordt de geschiedenis eer aangedaan.
Piecemeal engineering
Het Topkapı
– het Kanonnen-poortpaleis – beperkt zich tot het Ottomaanse tijdperk. Mehmed II, die het Oost-Romeinse Rijk het genadeschot gaf, liet op de ruïnes van het paleis van de Keizer een nieuw complex optrekken. Het Yeni Sarayi – het nieuwe paleis, de naam waaronder het Topkapı tot in de negentiende eeuw bekend stond – zou gedurende vierhonderd jaar de residentie en de ambtswoning van de sultan zijn. Verwacht geen grandeur zoals de grote Europese paleizen. Er was geen masterplan, maar eerder piecemeal engineering. Hier en daar werden door de eeuwen heen stukjes bijgebouwd en afgebroken, zodat het paleis een doolhof van gangen en zalen is geworden. De oorspronkelijke structuur is nu nog moeilijk zichtbaar.
Elke bezoeker maakt een entrée langs de majestueuze Keizerlijke Poort, die op zijn beurt toegang geeft tot de Poort van de Groet, waar het Topkapı pas echt begint. Praktische faciliteiten eerst: de keukens waren, hoe kan het ook anders, de grootste van het ganse Ottomaanse Rijk. Dagelijks moest de catering zo’n vierduizend monden vullen en dat vroeg de inzet van pakweg een kwart van de bewoners en staf. Staatszaken werden aan de overkant, in het vertrek van de Keizerlijke Raad besproken. De sultan zelf bracht zijn werkdagen door rondom een derde hof. Het was een deeltijds verblijf, want de overige tijd spendeerde hij in zijn Harem, die nog het best bewaard is gebleven. Je krijgt er als bezoeker waar voor je geld: de Harem vereist immers een extra entreeticket. Gelukkig zelfs, want precies daardoor is het er rustiger. In de andere gedeelten loop je over de koppen. Echt grondig is het allemaal niet te bestuderen. Je blijft wat op je honger zitten. Wie bovendien de Moorse paleizen in Andalusië heeft bezocht is ietwat teleurgesteld, maar dat zegt meer over Al-Andalus dan over het Ottomaanse Hoofdkwartier.
Mekka
Het bleef niet bij het Topkapı. Ook op religieus vlak etaleerden de sultans hun prestige. De Sultan Ahmetmoskee, die Ahmet I in het begin van de zeventiende eeuw liet bouwen, moest provoceren. Door meteen zes minaretten te voorzien daagde Istanbul Mekka uit, want enkel daar had een moskee er zoveel. Hij dreef het uiteindelijk niet helemaal op de spits. Mekka kreeg een extra minaret cadeau. Iedereen tevreden. De moskee kreeg het adjectief Blauw mee omwille van de kleur van de tegels van het interieur, al is dat niet meteen het meest opvallende kenmerk.
Dit was ons eerste echte moskeebezoek, net op het moment dat het vier uur-gebed zou beginnen. Normaliter wordt de moskee dan voor bezoekers gesloten, maar we glipten nog juist door de mazen van het net. Ietwat oneerbiedig, maar de drang om met deze religieuze praktijk kennis te maken was net iets groter. De aanwezige bezoekers werden gedoogd. Ze hadden in deze stad nu eenmaal een rol te spelen. De vrome moslims knielden en baden. Stilte. Vrouwen zaten achteraan, van de mannen gescheiden door die horde toeristen. Maar goed, per slot van rekening gaat het er in de Notre-Dame in Parijs en de Sint-Pieters in Rome ook zo aan toe. Enkel de inhoud is anders.
Op het pleintje voor de Blauwe Moskee bekruipt je opnieuw dat moeilijk definieerbare grensgevoel. Aan de ene zijde heb je een plek voor contemplatie met symbolen en gebruiken die helemaal verschillen van de Joods-Christelijke traditie waarin we zijn opgegroeid. Ze hebben dan wel eenzelfde stam, maar dit is zo, tja, desoriënterend. Het is een beeld dat we enkel van dat andere continent kennen. Aan de overkant zijn we thuis: langs de weg wemelt het van MacDonaldsen, H&M’s en Starbucksen. De sporen van de hypermoderne trams liggen tussen straatstenen die evengoed de Antwerpse Meir konden bekleden. Gele taxi’s doen pogingen om tussen het overtollige straatmeubilair te manoeuvreren. En zie: midden in het plein wordt een Bollywood-movie opgenomen. De Indische acteur moet zijn dito filmgeliefde veroveren. Nog was het niet gedaan. Uit de lucht klonken nog steeds de klanken van de muezzin. Tegenwoordig galmen zijn gezangen uit versterkers die in de ganse oude stad hoorbaar zijn. De eerste keer dat je dit hoort is wel een indrukwekkende ervaring. Misschien van dit plein wel het best Istanbul samen.
My friend
Door haar ligging, geschiedenis en voorspoed heeft Istanbul steeds veel handelaars aangetrokken. De Grote Bazaar, op een boogscheut van de Grote Drie, mag dan wel een beetje tot folklore zijn verwaterd, zaken doet men er nog altijd. Het netwerk van overdekte straatjes werd net na de val van Constantinopel als markt geopend en is één van de grootste in haar soort. Vierduizend winkeltjes proberen langs een zestigtal groot uitgevallen gangen hun waar aan de man te brengen. Meer dan een kwart miljoen mensen dwalen dagelijks door de overvolle tunnels. Vandaag zijn het hoofdzakelijk toeristen en die hebben cash. De handelaars hanteren een eigen stijl. Voor veredelde kitsch vragen ze aanvankelijk astronomische bedragen, maar het is aan de koper om zoveel mogelijk af te dingen. “But my friend, this is not serious. A wallet like this costs a lot more, I don’t gain anything with that price.” Ze kennen de truuken van de foor. Er enigszins bekaaid van afkomen behoort tot onze Bazaar-ervaring. De Kruidenbazaar bevindt zich dan weer helemaal beneden de oude stad aan het water, nabij de Galatabrug en het Sirkeci-station.
De Turken zijn ondernemend. Op elke hoek van de straat is er wel een kruidenier of souvenirshop. Zelfs in de tunnels wemelt het van kraampjes waar de meest uiteenlopende producten worden verkocht. Je moet steeds op je hoede blijven. Veel van wat er te koop wordt aangeboden is namaak. China is hier hét codewoord. Men is heel eerlijk: “China? Yes, China.”. Een iPhone 4 voor tweehonderd euro? Geen probleem. China. Of het ding ook effectief werkt én men het vanuit Californië al dan niet kan traceren is een andere vraag, maar dit soort strepen door de rekening vermijdt u best. In Istanbul is er wel degelijk een markt voor. Het aantal smartphones op trams, bussen of metro moet niet onder doen voor London, Parijs of München. Het is ondenkbaar dat iedereen er hier de courante prijzen voor betaald. We deden in de plaatselijke Media Markt de proef op de som. Officiële elektronica kost in Istanbul evenveel als in België, hoe misleidend de reclamepanelen in het straatbeeld ook mogen zijn.
Galata
Piraterij is uiteraard maar één aspect van het mercantiele Istanbul. In Galata, een stadswijk in het district Beyoğlu, heeft elke specialiteit zijn eigen straat. Met wat verbeelding en veralgemening kan je zelfs een hiërarchie ontwaren. Bovenaan staat de kunst. Op de top van de heuvel, nabij de Galatatoren, vind je de ene artisanale muziekhandel naast de andere. Gitaren, violen en luiten à volonté. Daal je af richting de Bosporus dan passeer je er straten met niets anders dan winkels met dezelfde huishoudelijke voorwerpen. Tientallen huizen met verdiepingen vol luchters. Beneden, aan de rivier, is men dan weer gespecialiseerd in het ruwe materiaal: gereedschap, vijzen, bouwmaterialen en elektrische bedrading. Allemaal ter plekke te koop, opgestapeld tot aan de nok van het pand. Voor het bouwen van een huis kan je in het hart van een miljoenenstad alles vinden wat je nodig hebt.
Toch zwicht ook het lokale Galata voor de grootstad met haar consumptiedrang. Via İstiklâl Caddesi, de Onafhankelijkheidsstraat, is de Galatatoren verbonden met Taksim Square, het voornaamste knooppunt in het centrum van Istanbul. Het contrast met het ‘dorp’ Galata is moordend: een winkelstraat zoals je er in de meest chique Europese steden één vindt. Om het toch nog wat authentiek te laten lijken kan je over de ganse lengte van de avenue een rit op een rustieke tram maken, maar ook dat is louter folklore. Hier gaan de grote ketens met de lyra’s lopen. Gelukkig kan je in de zijstraten in meer gematigde oorden eventjes tot rust komen, want op Taksim Square wacht één grote chaos.
Nationalisme
Het grote plein is helemaal in Turkse vlaggen getooid. De witte halve maan en ster op rode achtergrond doen zelfs de grote lichtreclames verbleken. Iedereen mag het weten: vandaag is het de nationale feestdag. Of toch één ervan, want in Turkije wordt het land op een vijftal officiële feestdagen gevierd: 23 april (Dag van het Kind, herdenking van de eerste zitting van de Nationale Vergadering), 19 mei (Jeugd en Sport dag, ter herinnering aan de landing van Atatürk in Samsun en de start van de onafhankelijkheidsoorlog), 30 augustus (Dag van de Overwinning, op de Grieken in 1922), 29 oktober (Dag van de Republiek, de échte nationale feestdag) en ten slotte op 10 november, want dan wordt de dood van Atatürk overal te lande herdacht. Vijf dagen die in het teken van de natie staan, vijf dagen waarop de vader des vaderlands wordt geëerd. Vijf keer kan de Turkse vlag worden gehesen, voor zover die nog niet permanent wappert. Voor mensen uit een land met bitter weinig natiegevoel komt het allemaal wat vreemd over. Beangstigend zelfs: je zal hier maar eens niet in die vlag geloven. Zo zijn er nogal wat mensen. Twee dagen na deze nationale feestdag pleegde een zelfmoordterrorist een aanslag op Taksim Square, waarbij alleen de dader om het leven kwam. Een Koerd, aldus de versie die de media ter ore kwam. Enkele uren voordien genoten we er nog van een Latte in de lokale Starbucks. Twee uur na de aanslag tuften de duizenden taxi’s en bussen alweer rond Taksim Square. Het leven gaat verder. Toen we die avond in het hotel vroegen of we naar aanleiding van de aanslag extra voorzorgsmaatregelen moesten nemen, was het antwoord kort en duidelijk: “Problem solved.” Alles voor de toeristen.
Inönü
Overal is de natie aanwezig. Zelfs bij het begin van de voetbalmatch Beşiktaş-Sivasspor in het Inönü-stadion wordt de nationale hymne opgevoerd. Vijfentwintig-duizend fans zongen uit volle borst mee. Buitenlanders zijn uiteraard welkom en men vindt het zelfs sympathiek dat we voor hun favoriete ploeg mee supporteren. Voetbal als derde religie na de islam en de natie: als een gesprek nergens heen gaat, dan kan je nog over het voetbal beginnen. Istanbul telt drie grote ploegen: Beşiktaş, Galatasaray en Fenerbahçe. Bij het aanspreken van een taxichauffeur heb je dus twee kansen op drie dat je hem beledigt. Ook de man aan de balie in het hotel was er niet meteen mee opgezet dat we hem voor een supporter van Beşiktaş hielden. Galatasaray!
Voetbal is voor velen een uitlaatklep. Istanbul is zo groot geworden. Omvangrijke suburbs rijzen als paddenstoelen uit de grond. Het chique centrum verbergt de vele anonieme huizenblokken die rondom worden aangelegd. Bij een boottochtje op de Zee van Marmara zie je pas hoe ver de stad aan Aziatische zijde aan het uitdeinen is. Zelfs the sky is hier the limit niet. Zover we kunnen kijken blijven gebouwen opduiken. Op dit moment wonen hier alles samen dertien miljoen mensen op een lap grond die regelmatig door aardbevingen wordt getroffen. De meest recente, in 1999, eiste duizend levens in deze agglomeratie. De vraag of het verantwoord is om de metropool op die wijze verder uit te bouwen is niet eens aan de orde. Het gebeurt gewoon. Met alle gevolgen van dien.
Incontournable
Tot waar reiken de ambities van Istanbul? Er wordt wel eens gefluisterd dat de stad het selecte clubje van New York, Tokyo, Londen en Parijs zou willen vervoegen. Cultureel, politiek en economisch incontournable pogen te worden is een nobel doel. Dat eerste is alvast gelukt: qua erfgoed en historische betekenis moet Istanbul wellicht enkel Rome en Jeruzalem laten voorgaan. Het patrimonium, waarvan we in drie volle dagen maar een héél klein beetje zagen, is ongeëvenaard. Er is echter meer nodig om alle ogen naar de heuvels rond de Bosporus te doen richten. Een stedelijk gebied met zo’n gigantisch bevolkingsaantal leefbaar houden is geen sinecure. De bereikbaarheid van Istanbul is een historisch probleem. Nu al staan er haast constant ellenlange files. Het openbaar vervoer in de kernstad is behoorlijk, zij het niet steeds even makkelijk om te zien welk vervoermiddel je nu dient te nemen. Metro, tram, bus en zelfs funiculaire coveren zowat de ganse stad, maar je moet wel uitzoeken waar en hoeveel keer je dient over te stappen; een overstap vereist overigens een nieuw ticket. Economisch moet Turkije zich blijven bewijzen en ook over het politiek bestel is de discussie nooit ver weg. De bevreemdende kennismaking met de nationale feestdag en het Turks natiegevoel nam weinig argwaan weg.
Die fel bewierookte ontmoeting tussen West en Oost is wél een schot in de roos gebleken. Istanbul is inderdaad het archetype van het begrip grens en daarvoor hoef je niet eens diep te graven. Het Oosten houdt echter niet op aan de grens; deze stad was een voldoende grote amuse-gueule om ons een stapje verder oostwaarts te begeven.
(1) De laatste letter van Topkapı is géén i, maar de Turkse ı (fonetisch: /ɯ/)