Op bezoek bij de Taoiseach

Het kan toch verdomd koud zijn. Een winters weekend in Dublin is alvast onmogelijk te vergelijken met een saunabezoek. Het doet je op zijn minst verlangen naar de aankoop van een duffle coat. Desalniettemin houden lage temperaturen ons niet tegen om de wereld te verkennen. Dublin dus.

De Ierse hoofdstad is nauwelijks een uurtje van Brussel verwijderd en een wereld van verschil maakt het niet meteen. Hier geen netwerk van autosnelwegen of wolkenkrabbers, maar een goeie ouwe provincieweg die je tot het centrum van de stad leidt. Die mondt uit in O’Connell Street, de eerste en enige grote avenue in de hoofdstad. Al is dit enigszins overdreven: echt lang is de straat niet, maar de breedte, de verlichting én de grote naald – The Spire – maken er een uithangbord voor de Ierse Republiek van.

Voor je het weet ben je weer uit dat centrum. De hostels liggen niet meteen in de suburbs, maar je moet toch wel weer een eindje wandelen. In de kou van december is dat geen te onderschatten een opgave. Temple Bar – de eerste bestemming – bevindt zich gelukkig aan wat voor ons het begin van de binnenstad was. De uitgaansbuurt is best gezellig, met de ene leuke pub na de andere. Dit staat in schril contrast met de kwaliteit van het bier, dat hier enkele graden minder sterk is dan bij ons. Net als in Groot-Brittannië zijn drankproblemen hier wijd verspreid. Niet dat het er wemelt van dronken Ieren, maar het aantal beschonken burgers dat van de openbare weg gebruik maakt ligt toch wel stukken hoger dan een doorsnee Belgische studentenstad op donderdagavond. Gelukkig voor de nachtrust van de locals sluiten de pubs al om twee uur ’s nachts. Dat is nog laat als je kleine kinderen te slapen moet leggen, maar gedaan is gedaan. Het is aanpassen.

Sluitingsuren hebben als voordeel dat katers minder gebruikelijk zijn, zodat voorbeeldige reizigers ook op een zaterdagochtend met een fris hoofd in plaats van een houten kop naar Trinity College kunnen afzakken. De universiteit is een essentieel onderdeel van het Ierse culturele patrimonium. Een originele versie van het Book of Celts – de lokale versie van de bijbel – is zeer de moeite waard om een blik op te werpen. Net als de oude universiteitsbibliotheek, waarvoor we in Leuven Dublin zeker mogen benijden, al had een mildere Duitse invasie ook bij ons dergelijk exemplaar nagelaten.

Wij reizen natuurlijk om te leren en staan niet enkel stil bij de boetieken in Grafton Street. Neen: een Ierse kennis stelde voor om de ambtswoning van de Taoiseach – de Ierse eerste minister – een bezoekje te brengen. Inderdaad: zelfs op zaterdagmiddag kunnen we met een bijzonder beperkte groep zowat overal een kijkje nemen. Niet enkel het vergaderzaaltje van de ministerraad, maar ook de hoogsteigen bureau van de eerste minister. Ach ja, het hoort er bij.

Onze Ierse vriend, James, kan ondertussen niet zwijgen en geeft ons een introductie in de Ierse geschiedenis, die je in de hoofdstad aan den lijve kan ondervinden. Locals zijn nog altijd beter dan de beste reisgids. Het parlement, de nationale bank, O’Connell Street: ze passeren allemaal de revue; de man besluit zijn visite guidée in het Clarence Hotel, eigendom van Bono en co. We moeten ons immers haasten, want we hebben vanavond nog een afspraak in hogere sferen.

Op zondagochtend is het al even koud, maar het zonnetje aan de Liffey doet op zijn zachtst gezegd wat deugd. De lange wandeling brengt ons naar Hannover Quai, waar U2’s studio is gevestigd. Ach, misschien is het wat folklore, maar ik kan het niet laten om daar eens gepasseerd te zijn. Veel stelt het zo te zien niet voor. De mannen hebben niet meer dan een barak nodig om hun muziek op te nemen. Bescheidenheid siert, al zal het er binnen wellicht stukken luxueuzer aan toe gaan. Waarom ook niet, maar wij zijn al tevreden met de consumptie van een warme chocolademelk, voordat we een rush naar Dublin Airport aanvatten.

Dat ding is groter dan je denkt; de terminals zijn op zijn zachtst gezegd nogal ver van elkaar verwijderd, zodat we al bij al blij zijn dat Ryanair meer dan een half uur vertraging heeft. Terug op de bodem van het vasteland wacht ons echter nog een ontnuchtering. Ondanks de puike nieuwe luchthaven van Charleroi is het een huzarenstuk om er een trein te vinden die ons naar het thuisfront brengt. Wat een gedoe: TEC en NMBS zouden het ons toch iets makkelijker kunnen maken, want het interval tussen landing en effectieve thuiskomst kon ons bijna in New York hebben gebracht. Maar goed: wie zijn wij om te klagen; het is een luxe om een weekendje naar Dublin te trekken. Een weekend is echter meer dan genoeg, want van een metropool is in Ierland geen sprake. Ach, het moet niet elke keer New York of Parijs zijn…

Share